Afghanistan Analysts Network – English

AAN in the Media

De lange oorlog in Afghanistan is nog niet voorbij

2 min

MO, 16 March 2015

This article of the Belgian website’s editor-in-chief quotes extensively from two AAN sources, by Thomas Ruttig and Philipp Münch:

“Eind 2013 schreef de Duitse onderzoeker Thomas Ruttig: ‘Volgens officiële Afghaanse bronnen staan slechts 5 van de 416 districtcentra onder permanente controle van de taliban, maar in vele andere reikt de greep van de regering niet veel verder dan het eigenlijke centrum. In het belangrijke Maiwand-district in het zuiden van het land (dat groter is dan het Groothertogdom Luxemburg) eindigt volgens de Wall Street Journal van 31 oktober 2013 de controle van de regering op twee kilometer van het centrum.” […]

Het veranderen van machtsstructuren door militaire interventie is sowieso een heel moeilijk proces, stelt ook Philip Münch vast in zijn onderzoek naar de impact in de provincies Kunduz en Badakhshan (Local Afghan Power Structures and the International Military Intervention, uit 2013). De “staat” is immers geen vaststaande realiteit waaraan geschroefd of getimmerd kan worden. Het is eerder ‘een veld van sociale relaties dat opgebouwd wordt door politieke actoren die strijden om de macht en meer in het bijzonder om hun regels te kunnen opleggen aan de samenleving als geheel’.  […]

Thomas Ruttig, co-directeur van het Afghanistan Analysts Network, maakte een jaar geleden de rekening op van de westerse aanwezigheid in Afghanistan. In Some things got better – How much got good? A review of 12 years of international intervention in Afghanistan, een evaluatie die ook verscheen als MO*paper, schrijft hij: ‘Volgens officiële bronnen kan 36 procent van de bevolking niet voldoen aan de basisbehoeften op het vlak van voedsel, kleding, drinkbaar water en huisvesting.  Tussen 25 en 30 procent van de bevolking is ondervoed en komt niet aan de dagelijkse minimale hoeveelheid calorieën; meer dan 60 procent van de bevolking moet zich tevreden stellen met een eenzijdig dieet. Voor de kinderen is de situatie nog erger: 60 procent is ondervoed.’

‘Nog altijd volgens officiële bronnen heeft slechts 27 procent van de bevolking directe toegang tot veilig drinkwater en slechts 5 procent tot sanitair in de woning. In grote delen van het land bestaat enkel een overlevingseconomie. Velen kunnen enkel overleven dankzij de drugeconomie of spaargeld van familieleden die in het buitenland werken. De drugeconomie heeft naar schatting een waarde van 15 procent van de economie van Afghanistan en naar schatting 14 procent van de bevolking is erbij betrokken.’

Ruttig wijt de inefficiëntie van de geboden hulp voor een groot deel aan de militarisering ervan. ‘Hulporganisaties schatten dat er tot 2009 voor ongeveer 17 miljard dollar hulp is geleverd via de internationale troepenmacht; dat zou neerkomen op 65 procent van alle hulp voor wederopbouw en ontwikkeling. Van 2004 tot 2012 werd er via het Commander’s Emergency Response Program (CERP) van de Amerikaanse leiding van de provinciale wederopbouwteams ongeveer 1,5 miljard dollar uitgegeven. Volgens de International Crisis Group was dat meer dan het Afghaanse overheidsbudget voor gezondheidszorg en onderwijs.’

Daarom suggereert Münch dat een interventiemacht eerder de manier waarop groepen concurreren kan wijzigen dan de verhoudingen zelf te beïnvloeden. ‘In Afghanistan kon de interventie een beetje vrede afkopen’, maar de onderliggende sociale realiteiten blieven buiten schot.